zondag, oktober 22, 2017

Hier vindt u allerlei artikelen waarin over Doodstil geschreven is en die verschenen zijn in nieuwsbladen vanaf 1950 tot 1975

  • Een viersprong, een brug en 40 huizen

    Nieuwsblad van het Noorden, 06 febr. 1965, dageditie.

     

    HET IS NU DOODSTIL IN DOODSTIL

    (Van een onzer redacteuren)
    Een viersprong, een brug en 40 huizen. In die huizen 130 mensen, vooral is niet Doodstil, maar Doodstil. Dat wit zeggen: Doode's til of til des
    oudere, oude en heel oude. doods.
    Buiten is niemand te zien. Soms rijdt er een auto over de brug, soms twee Dood is dood (daar komt men niet onderuit). Til is een brug, een verhoogde
    vlak achter elkaar, maar vaker geen. overgang over het water, die vast in het wegdek ligt (zon til was er 60
    Voor de brug ligt een schip. De brug wordt geopend tussen 7 en 9, 12 en 1, jaar geleden op de plaats van de huidige draaibare brug).
    4 en 6 uur en zaterdagmiddag helemaal niet. Welke rampspoed ligt aan de naam ten grondslag? Officieel doet men
    Het schip wacht sinds half twee. Het is nu half vier en doodstil in Doodstil. er het zwijgen toe, maar de volksmond spreekt.
    *  * 
    Doodstil is een gehucht tussen Uithuizen en Zandeweer. Lang geleden De 90-jarige weduwe E. Buur—Swieter (nu woonachtig in Uithuizen, maar
    is het kruislings langs en over het Boterdiep gegroeid. En zo is het blijven vergroeid met de brug in de jaren 1915-1930, toen zij in Doodstil
    liggen met De Brug als natuurlijk middelpunt. Doodstil richt zich op kruidenierster-herbergierster-bruggewachster was) heeft van horen zeggen,
    Zandeweer en is gemeente Kantens maar voor alles zichzelf. dat er lang geleden bij de oude til een rijtuig te water is geraakt, waarbij
    Zo te zien doet Doodstil zijn naam eer aan, maar dat is niet waar. Doodstil

    een aantal personen verdronk. Vandaar Doods-til.

     

    Het schip ligt nog te wachten

    De 85-jarige weduwe R. Dijkema-Huizinga (nog steeds wonend in Doodstil, waar zij het turfschip van haar echtgenoot meer dan eens door de brug getrokken of geboomd heeft) verhaalt onder meer over een „zwien", dat onder de til geslacht zou zijn, waarbij de stiekume slachters doodstil te werk moesten gaan. Vandaar Doods-til. Mevrouw A. Westra-Smit, die de brug nu bedient (al bijna 12 jaar), heeft wel eens gehoord, dat de naam moet worden toegeschreven aan een schaatsenrijder, die met zijn hoofd tegen de til botste en dood neerviel. (Met het oog op schaatsenrijders is de U-balk onder de huidige brug wit geschilderd!)

            
                   Weduwe R. Dijkema (85):                                              Weduwe E. Buur (90):  
                         „zwien" onder til                                                         rijtuig te water 

    Eigen boontjes

    De meest waarschijnlijke naams-verklaring - die van het verongelukte rijtuig - doet Doodstil echte rniet minder doodstil zijn vandaag. Het wegverkeer neemt toe maar is doorgaand en richt in Doodstil niet meer aan dan wat ruiten-gerinkel. „Kiek dan tot glas oet, man: doar gait er weer ain!" protesteert een in de eer van Doodstil aangetaste weduwe Dijkema. Een vrachtauto vol stropakken gaat voorbij, een kat redt vluchtend het vege lijf. Daarna is het stiller dan ooit.Het schip ligt nog geduldig te wachten, terwijl de bruggewachtster binnenshuis haar eigen boontjes dopt, een teil vol. Stil? „Dan mot je ais
    kieken as ik de brug ofdraai hou gauw er'n bams auto's stait", zegt mevrouw Westra.
    Even later is het vier uur en gaat zij in functie om het grindschip van A. C. Moret - één van haar twee vaste klanten - door te laten. Onder het goedkeurend oog van haar bijkans volwassen zoon zet mevrouw Westra zich schrap. Lopend op een plankier duwt zij de brug open. Als het schip gepasseerd is en de brug weer dicht, is zoon Westra in een gesprek gewikkeld met de chauffeur van een Marnedienst-bus, de enige wachtende.
    De scheepvaart door Doodstil is lang niet meer wat zij vroeger geweest is. „Soms moet ik 3 a 4 keer op een dag draaien, soms 3 a 4 keer in de week," vertelt de bruggewachtster. Andere gebeurljjkheden zijn er eigenlijk niet in het gehucht, waar enkele fikse boerderijen en kleine kwekerijen winterslaap houden en de enige villa - het kasteelachtige Barmerheerd - rust voorschrijft. „Wat zel hier ook op zó'n streekje te doun wezen?, vraagt mevrouw Westra zich af. „Hier gebeurt niks... hier is niks."
    De drie café's, die Doodstil rijk is geweest in tijden van meer bedrijvigheid, zijn ter ziele gegaan. Vertier zoeken de Doodstilsters veelal in Uithuizen of Zandeweer, dat er overigens ook niet dik in zit. Zoon Westra maakt melding van de jaarlijkse kermis in Zandeweer en zijn moeder voegt er de acties voor de kerkrestauratie en voor een sportveld bij, benevens Volksonderwijs. Maar dan zijn ze ook uitgepraat. Doodstil heeft andere tijden gekend, die minder stil waren. In de twintiger jaren voeren de schepen met bieten en grind, met zand en stro, met turf en koren af en aan door het Boterdiep, zodat „vrouw Buur" wel aan het brug-afdraaien kon blijven; niet alleen op bepaalde uren, de hele dag door, maar dan tegen betaling. Daar kwam dan nog het stoomschip bij, dat op zijn weg van Uithuizen naar Groningen Doodstil aandeed om personen op te nemen. En het veeschip, dat telkenmale voor sensatie zorgde als het de veeboeren een lading paarden, koeien en varkens bracht.
    Toen was er ook nog een houtstek met café aan de Zandeweerster kant van de brug, waar nu Piet Knol aan veevervoer doet en waar de laad- en loswal gaaf en ongerept acht spierwitte bolders opsteekt, amper door touwwerk bezoedeld. „Vrouw Buur" heeft er nog gedachtenis aan, dat vlak bij dat houtstek 'n stroschip in brand vloog. Vanwege het brandgevaar werd het vuurschip met vereende krachten versleept en door de brug gebracht. Dat vond het provinciaal bestuur niet goed. Er volgde een ernstige waarschuwing nimmer een brandend schip door de brug te laten.

    In eigen bed

    Het moet een bewogen tijd zijn geweest, toen de nu 90-jarige ex-bruggewachtster de korenschippers van Uithuizen weigerde door te laten omdat zij niet extra wensten te betalen voor het openen van de brug na 8 uur 's avonds, en toen zij een jongen van Elema (de olijkerd had de brug tegengehouden bij het draaien) een draai om de oren gaf, die boer Elema deed zeggen: „As mien zeun klappen hemmen mout den ken ik dat zulf wel doun."
    De weduwe Dijkema, die met twee dochters nog altijd in het huis van „mien man zien moeke" woont, heeft al die bedrijvigheid rond de brug ook gekend. Zij was altijd graag met haar man op het turfschip ( „Den zai je nog ais wat van wereid"), maar heeft toch definitief wortel geschoten in Doodstil: „Ik wil laifst dat ze mie hier uut huus draogen." Haar beide dochters van middelbare leeftijd tonen dezelfde geaardheid. De één, die altijd thuis is zegt: „Ik wil hier nait geern vot", en de ander, die elders kraamvrouwen het huishoudelijk werk uit handen neemt, verkondigt: „Ik wil in mien aigen bed sloapen."

    Oudergewoonte

    Zo gaat het leven oudergewoonte voort in Doodstil. In feite is er weinig veranderd sinds „vrouw Buur" de brug bediende en weduwe Dijkema uitvoer. De jongste huizen - op één boerderij na - zijn zo'n 30 jaar oud en de vele oudere mensen hebben geen behoefte om weg te trekken. De hypermoderne straatverlichting heeft lang op zich laten wachten, maar is enkele jaren geleden toch gekomen. De wereld wordt bij velen thuis gebracht op de beeldbuis en als dat niet genoeg is: er is eem busverbinding. Wat wil een mens meer, die vertrouwd is met beslotenheid en rust, om niet van stilte te spreken?

     

           

    Tweemaal Doodstil

    Tweemaal een kijkje op Doodstil vanaf dezelfde plaats vóór de brug. De foto linksboven toont Doodstil anno 1965, stil en verlaten, met een stukje van de (beweegbare) brug, met de bruggewachtster, mevrouw A. Wesstra-Smit, en met het (verbouwde) huis, waarachter vroeger een houtstek stond. De foto ernaast toont hetzelfde stukje Doodstil, maar dan omstreeks 1900, toen de zandweg nog omhoog liep naar een til, een niet beweegbare brug. Hier ziet men helemaal rechts het huis (achterste deel) van bovenstaande foto nog in zijn oorspronkelijke staat met er achter het nu verdwenen houtstek, en aan de voorzijde (niet zichtbaar) een café. 1900 geeft meer bedrijvigheid te zien dan 1965!