zaterdag, augustus 19, 2017

Okke Geerts Kluun (Kantens , 1813 - Groningen , 12 april 1838) is de laatste Groninger die ter dood veroordeeld is.

Zijn naam leeft voort in de uitdrukking: "Hest meer geluk had as Okke Kluun, want dij mos hangn" (Je hebt meer geluk gehad dan Okke Kluun, want die moest hangen), gezegd als iemand aan een ongeluk is ontsnapt. Een variant is: "Doar bist beter of komen as Okke Kluun, want dij mos hangn". Soms (in beide gevallen) gevolgd door: "tot hai doodstil hing". Dit laatste als verwijzing naar de plaats met die naam.

Okke Geerts Kluin had namelijk in 1837 de 55 jarige weduwe Marijke Arends Taaisma vermoord om aan geld te komen. De moord gebeurde in het dorp Doodstil , na een avondje drinken in Uithuizen , waarbij Okke zijn geld verspeelde bij het kaarten. Volgens een andere versie had hij het geld juist nodig om te gaan kaarten.

Op 12 april 1838, nadat zijn verzoek om gratie door koning Willem I werd afgewezen, werd hij voor dit vergrijp op de Grote Markt opgehangen.
De executie werd voltrokken door Joannes Jansen (de laatste beul van Groningen). In 1824 verzorgt hij de executie van Jan Quint en in 1838 is Okke Geerts Kluin de laatste door hem ter dood gebrachte.

Okke Geerts Kluun zijn doodshemd wordt bewaard in het Groninger Museum.

 
doodshemd van Okke Geerts Kluun

 


Nieuwsblad van het Noorden 16 april 1938

Het laatste doodvonnis te Groningen voltrokken....

Van Uithuizen  — „het stadje der Ommelanden"  — voert als voortzetting van den Brouwerijweg een zgn. binnenweg naar 't zuidwesten, naar 't gehuchtje Blauwerij, verder naar Rottum. Een eigenaardige weg, waarvan telkens weer een zekere bekoring uitgaat. Al heel spoedig komen we  — dezen weg volgende  — bij een bruggetje, dat ligt over het Oude Maar, het verlengde van het Helwerdermaar. Dit laatste genoemd naar Heiwerd, waar Ludger, de Apostel der Ommelanden, voor het eerst het Evangelie verkondigde. Over 't bruggetje zien we Barmerheerd, de boerderij, waar van oudsher de landbouwersfamilie Smedema resideerde. Een prachtige voorbehuizing: mooie voordeur met zerken stoep en beeldhouwwerk, afkomstig van de borg Nijenstein te Zandeweer, waarvan het laatste restant in 1819 werd afgebroken. Ook de piëdestal met zonnewijzer in den tuin zijn afkomstig van Nijenstein. Bij het bruggetje stond tot voor enkele jaren een oud huisje, vaak aangeduid als 't moordhuisje bij d' Oude Til......Hier werd 27 April 1837 een vrouw vermoord.

Okke Geerts Kluin  — een jongeman van 25 jaar — was de dader. Hij werd ter dood veroordeeld en was de laatste, aan wien de doodstraf te Groningen voltrokken werd.

Deze week  — Dinsdag 12 April — was het juist honderd jaar geleden, dat Okke Geerts Kluin op de Groote Markt zijn leven aan de galg eindigde....

Een moord! lets vreeselijks. Deze moord wekte veel sensatie in de Ommelanden! Met afgrijzen en weerzin werd er over gesproken. Jaren geleden spraken we te Uithuizen den rustenden landbouwer Harm Boukema, die langen tijd woonde op de boerderij het Kokshuis, aan het Koksmaar bij Stitswerd. Boukema  — 12 Dec. 1830 te Uithuizen geboren  — was een jongetje van ruim 6 jaar, toen de moord plaats had. Hij woonde op de boerderij van Mevrouw Wed. Tj. Schillhorn van Veen, niet ver van 't oude bruggetje gelegen. Hij herinnerde zich alles nog heel goed en vertelde:

„'t Was Oethoester baistemaarkt. 's Mörgens veur schoultied gong ik mit ons vei noar 't loug. Wie dreven kouien eerst noar Ol Til en dou verder Brouwerijweg laans noar Oethoezen. Vrouger was Ol Til dr nait, dou was dr allain moar 'n pomp. Bie Ol Til woonden dou ien 't hoeske aan oostkaant van weg Drewes en Graitje. Bie disse lu gong Okke Kluun ien kost, was bie heur over deel. Dou wie dr 's mörgens mit ons kouien laans gongen, het Graitje ons nog 'n beetje hulpen. Okke Kluun wol ook noar 't maarkt tou, moar.... haar gain buusgeld. Hai vroug Graitje om geld,  — Drewes was aal vöt. Graitje wol hom gain geld doun. Ze wist 't wel  — Okke was 'n zwierbol. Gong dr voak vandeur. Ans ze hom geld gaf, zol-e ook wel weer deurspringen. 't Ol was net aan 't koffieboonen draaien, schudde 't meulentje aal hen en weer en zee: „Nee, Okke, krigs van mie gain geld!" Moar Okke mös en wol geld hammen. Hai greep heur bie 't hoar, sleepte Graitje ien 't achterhoes, sloug heur mit biel.... dood .... Dou gong Okke bie 't kamnet of kaast, wat 't was, wait 'k nait, en kreeg geld. Hai wis wel, woar 't zat. Mit flink buusgeld noar 't maarkt. Lu, dei hom wel konnen, zagen aal hail gauw, dat-e grof verteerde en nog aal wat geld verspeulde bie jeuden mit sedoedelkaan. Dit is  — zol 't reken  — een groode trachter en doar gooiden ze dobbelstainen ien en den onner negen of boven twaalm....

Dou 't bekend wer, wat dr mit Graitje bie 0l Til gebeurd was, dochten ze opslag: „Dat het Okke Kluun doan en gain aander". Hai wer den ook vot oppakt"

Meer wist de heer Boukema zich niet te herinneren. Andere oudjes hebben ons wel verteld, dat Okke Kluin op een boerenwagen, tusschen twee veldwachters in, naar de stad is gebracht. Hij had een blauwe kiel aan. In de dorpen, waar men door reed, stond het zwart van menschen....

Onder het rijden door de dorpen zong de ongelukkige dader het eerste vers van Psalm 6. Hij zong de Psalm op „laidswieze" d.w.z. de melodie was die van een wereldlijk lied:

O Heer! Gii zijt weldadig!
Straf mij niet ongenadig
In Uwen toornegloed.
Ai! matig Uw kastijden,
Sla mij met medeleden,
Gelijk een Vader doet.

Okke Kluin werd ter dood veroordeeld. Ofschoon in die tijden een doodvonnis gewoonlijk veranderd werd in langdurige tuchthuisstraf, was dit bij Okke Kluin niet het geval. De Koning maakte, als er eenigszins aanleiding voor bestond, steeds gebruik van de hem verleende macht: gratie te mogen verleenen. Kluin's verzoek om gratie kon echter helaas niet worden ingewilligd. Donderdag 12 April 1838 werd het doodvonnis 's morgens om elf uur op de Groote Markt voltrokken.

Een sombere stemming heerschte er dien morgen in de stad. De gordijnen der huizen aan de Markt waren allen neergelaten. Een groote menigte stroomde naar het marktplein, om getuige te zijn van de terechtstelling. De ongelukkige veroordeelde was gehuld in een lang wit flanellen hemd met kap. Dit galgenkleed wordt nog in ons M. v. O. bewaard.

Veertien jaar was het geleden, dat een doodvonnis in onze stad werd voltrokken. De Groninger Courant van Vrijdag 13 April gaf .natuurlijk verslag van het gebeurde:

„Nadat de Ingezetenen dezer stad jaren lang verschoond waren geweest van de vreesselijkheid, dat een doodstraf binnen hunne wallen aan een medemensch moest voltrokken worden, werd heden weder een jongeling van vijf en twintig jaren, aan diefstal en moord schuldig, hier op het schavot aan het leven gestraft. Bij alle beschaafde burgers was het medelijden groot en reeds lang vroeg men elkander, hoe die jongeling tot zulk een misdaad had kunnen komen, en hoe hij, na haar bedreven te hebben, in zulk een verhard en woest gemoedsbestaan konde blijven, gelijk men vernam, dat hem bij voortduring eigen bleef. Het antwoord valt beschamend uit voor de verlichting en beschaving onzer dagen, waarop velen zoo hoog roemen. Hij, een inwoner van een onzer bloeijendste en grootste dorpen, was zonder eenig onderwijs opgegroeid, als een wilde van Afrika's binnenlanden, konde lezen noch schrijven, bezocht nooit school, katechizatie of kerk, en werd zoo een speelbal zijner onbeteugelde driften, die hem nu laatstelijk als een onzinnige de dubbele misdaad deden bedrijven, welke zijn leven kostte. Opmerkelijk is het, dat, toen voor omtrent veertien jaren de laatste doodstraf hier werd voltrokken, omtrent den ongelukkige, aan wien zulks toen geschiedde, dezelfde opmerking werd gemaakt en ook in de Courant uitgesproken, n.l. dat hij als een wilde was opgegroeid, lezen noch schrijven konde, van onsterfelijkheid en volgend leven, van God en Zijn geboden geen denkbeeld of gevoel bezat. Zoo wordt dan ook hier bevestigd, 't geen de ondervinding van alle landen bewijst, dat verwaarloosde opvoeding bij de meeste misdadigers de reden was van hunne boosheid en misdaden: — doch hieraan twijfelt niemand. Maar ook wordt hierdoor bevestigd, dat er aan onze Nederlandsche en Groningsche volksopvoeding nog veel ontbreekt, en wij ons niet door den lof van Buitenlanders moeten laten verblinden, alsof het hier alles goed ware: — en dit doen velen. Moge er na veertien jaar niet weder zulk een ijsselijke aanleiding zijn, om deze bedroevende opmerkingen te herhalen".

De naam van den ongelukkigen jongeling leeft nog voort in ons dialect. Wanneer iemand aan een straf of eenig gevaar is ontkomen, wordt nog heel vaak schertsend opgemerkt: „Doar bis beter oafkomen ans Okke Kluun ienertied, want dei mos hangen"

In den tijd, dat deze straf ten uitvoer werd gebracht, werden van verschillende zijden pogingen aangewend een algeheele verandering in ons Strafrecht tot stand te brengen. Velen waren er, die de lijfstraffen wenschten af te schaffen. Tien jaar na de laatste terechtstelling te Groningen werd dan ook door de Regeering een wetsontwerp tot afschaffing van de geeselstraffen en het brandmerken ingediend. De Tweede Kamer nam het ontwerp aan, de Eerste Kamer verwierp het. In 1854 eerst werd een nieuw ontwerp tot veranderingen in het straffen van misdadigers aangenomen. De doodstraf werd wel is waar nog niet afgeschaft, maar toch in haar toepassing beperkt, terwijl de geeselstraf, de tepronkstelling, het brandmerken werden afgeschaft.

Het laatste vonnis in lijfstraffelijke zaken werd te Groningen gewezen. Het Provinciaal Gerechtshof veroordeelde 29 Juni 1854 een inwoner van Nieuwe Pekela tot de straf van het zwaaien met het zwaard over het hoofd, op een schavot, uit te voeren met alle toebereidselen, die bij de onthoofding werden in acht genomen. Het Staatsblad van dienzelfden datum — 29 Juni 1854 — bevatte echter de Wet tot afschaffing der lijfstraffen, zoodat het zwaaien met het zwaard niet werd toegepast. Het laatste doodvonnis in Nederland werd eveneens door het Provinciaal Gerechtshof te Groningen gewezen. Tegen een jongmensch van 16 jaar, beschuldigd van brandstichting te Stadskanaal, werd 14 Sept. 1870 de doodstraf geëischt. Een week later — 21 Sept. — had de uitspraak van dat vonnis overeenkomstig den eisch plaats, maar — het Staatsblad had de Wet van 17 Sept. 1870 tot afschaffing der doodstraf reeds afgekondigd.... Door die Wet verdween de doodstraf uit ons strafstelsel. Was Okke Geerts Kluin te Groningen het laatste slachtoffer van 't schavot, de laatste gehangene in Nederland was Ype Baukes de Graaf van Harlingen, die wegens moord te Leeuwarden werd terechtgesteld (1860). Ook daar vele nieuwsgierigen: het Zaailand te Leeuwarden was te klein, om alle kijklustigen een „goede standplaats" te bieden.... In deze lentedagen wandelen we nog eens den aiouden weg Uithuizen—Rottum, toeven even bij 't bruggetje over 't Oude Maar, waar de kalme vredige rust eens op zoon wreede wijze verstoord werd.... T.

 



 foto afkomstig uit het Groot-Fotoboek van Uithuizen



  
In n old hoeske bie t brogje over t Helwerdermoar nabij Doodstil slaig                                     't brogje over Helwerdermoar, tegenwoardigetied
Okke Kluun Marijke Arends Bisschop-Teisman mit n biele de hazzens in
.
(foto afkomstig uit het boek "Anno Grunn")

 


 Groninger Courant Vrijdag 13 April 1838